ruggengraat
mannelijk (de)/ˈrʏɣə(n)ˌɣrat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) zuil gevormd door de wervels gelegen in de rug, die de enige steun van het hoofd en de romp uitmaakt en waarin het ruggenmerg zit
Etymologie
* In de betekenis van ‘wervelkolom’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Uitdrukkingen
- Iemand met ruggengraat.
- :Iemand die kan standhouden.
- Een ruggengraat vol slagroom hebben.
- :Iemand die geen stand kan houden; iemand die zwicht onder druk van anderen.
Vertalingen
Engelsspinal column
Fransépine dorsale, colonne vertébrale
DuitsRückgrat, Wirbelsäule
Spaansespina, columna vertebral, espinazo
Italiaansspina dorsale, colonna vertebrale
Japans脊椎
Turksbelkemiği, omurga
Poolskręgosłup
Zweedsryggrad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek