rugzak

mannelijk (de)/ˈrʏxsɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een tas die op de rug gedragen wordt met behulp van draagriemen
    Hannah komt de kamer binnengestormd met haar enorme koffer en rugzak.
    ‘Mijn rugzak woog wel 20 kilo, en nu loopt iedereen met dat ultralichte spul.
    Wat hij natuurlijk waagde te betwijfelen en zo liepen ze elk met een rugzak om kibbelend de Kallvâgen op, zonder ski's de natuur in

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘op de rug gedragen zak’ voor het eerst aangetroffen in 1924

Vertalingen

Engelsbackpack, rucksack
Franssac à dos
DuitsRucksack
Spaansmochila
Italiaanszaino
Portugeesmochila
Russischрюкзак
Poolsplecak
Zweedsryggsäck
Deensrygsæk