ruif

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veeteelt (veeteelt) houten of ijzeren traliewerk als voederrek voor de dieren
    Ons land, dat meer dan vier miljoen inwoners met een vette lever kent, geeft alleen nog geld aan de allerarmsten als het er zelf ook beter van wordt. Klever, die ooit in opspraak kwam omdat ze als bestuurslid van de omroep Ongehoord Nederland gezellig in de kas had zitten grabbelen, pakt misschien zelf ook iets uit de ruif.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/02/22/toekomstgeschiedenis-a4883986 www.nrc.nl (22 feb 2025)]

Etymologie

* Leenwoord uit Middenduits Räufe ‘ruif’; vgl. Oost-Nederlands reep, reupe.

Vertalingen

Engelshayrack, fodder rack
Fransrâtelier
DuitsRaufe