rund

onzijdig (het)/rʏnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. evenhoevigen, veeteelt (evenhoevigen) (veeteelt) holhoornig en herkauwend zoogdier, , dat vaak gehouden wordt voor zijn melk en vlees of als trekdier, de gedomesticeerde afstammeling van de sinds de middeleeuwen uitgestorven oeros ()
    De runderen werden allemaal tegelijk gevoed.
  2. informeel, persoon (informeel) (persoon) dom en/of onhandig iemand
    Wat ben jij toch een rund, zeg!

Etymologie

* (erfwoord): Naast Nederrijns rint; afkomstig van Middelnederlands runt, ront, bijvormen van rint, rent, uit Oudnederlands hrind (in de plaatsnaam Hrindsalis), ontwikkeld uit Westgermaans *hrinþiz, dat oorspronkelijk terug op een paradigma met de twee ablautstrappen nominatief *hrinþaz en genitief *hrundizaz gaat, wijzend op Indo-Europees *ḱrént-os (gen. *ḱrn̥t-és-s), afleiding van *ḱr-n- ‘hoorn’. Evenals Nederduits Rind, Ründ, Duits Rind, Fries rier ‘vaars’, Noord-Fries ridder en Oudengels hrīðer, hrȳðer.

Uitdrukkingen

  • Je bent een rund als je met vuurwerk stunt.Slagzin die vooral in de jaren 90 van de 20e eeuw veel was te zien in tv-spotjes waarmee het afsteken van vuurwerk werd ontraden

Vertalingen

Engelsbovine, cattle
Fransbétail
DuitsRind, Kuh
Spaansbovino, vacuno, imbécil