rund
onzijdig (het)/rʏnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) (veeteelt) holhoornig en herkauwend zoogdier, , dat vaak gehouden wordt voor zijn melk en vlees of als trekdier, de gedomesticeerde afstammeling van de sinds de middeleeuwen uitgestorven oeros ()De runderen werden allemaal tegelijk gevoed.
- (informeel) (persoon) dom en/of onhandig iemandWat ben jij toch een rund, zeg!
Etymologie
* (erfwoord): Naast Nederrijns rint; afkomstig van Middelnederlands runt, ront, bijvormen van rint, rent, uit Oudnederlands hrind (in de plaatsnaam Hrindsalis), ontwikkeld uit Westgermaans *hrinþiz, dat oorspronkelijk terug op een paradigma met de twee ablautstrappen nominatief *hrinþaz en genitief *hrundizaz gaat, wijzend op Indo-Europees *ḱrént-os (gen. *ḱrn̥t-és-s), afleiding van *ḱr-n- ‘hoorn’. Evenals Nederduits Rind, Ründ, Duits Rind, Fries rier ‘vaars’, Noord-Fries ridder en Oudengels hrīðer, hrȳðer.
Uitdrukkingen
- Je bent een rund als je met vuurwerk stunt. — Slagzin die vooral in de jaren 90 van de 20e eeuw veel was te zien in tv-spotjes waarmee het afsteken van vuurwerk werd ontraden
Vertalingen
Engelsbovine, cattle
Fransbétail
DuitsRind, Kuh
Spaansbovino, vacuno, imbécil
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek