rups
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (vlinders) langgerekte, wormachtige larve van de vlinder en de mot, die raspende kaken, korte voelsprieten, drie paar echte poten, meerdere paren propoten en vaak fijne stekels of afstekende haren heeft en een vraatzuchtige eter is
- iets dat lijkt op een rupsMet een ibuprofen en oordoppen in kroop ik als een rups diep in elkaar.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands ru(u)pse, rupsene, rupseme, met -s- en klinker onder invloed van de werkwoorden ripsen, rupsen, repsen ‘boeren, braken’, aanpassing aan rūpe, ruype (waaruit gewest. ruip, roep(e)), uit Oergermaans *rūpō-, afleiding van het werkwoord *ruppōn ‘plukken’. Evenzo Nederduits Ruup, Duits Raupe en Fries rûp.
Vertalingen
Engelscaterpillar
Franschenille
DuitsRaupe
Spaansoruga
Italiaansbruco
Russischгусеница
Zweedsfjärilslarv, mallarv
Deenskålorm
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek