sacrament

onzijdig (het)/ˌsakraˈmɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) ritueel of teken in de christelijke kerk, door Jezus ingesteld, waardoor Gods genade wordt doorgegeven
    In de Katholieke Kerk zijn er zeven sacramenten: het doopsel, de biecht, de communie, het vormsel, de priesterwijding, het huwelijk en de ziekenzalving.
    "De Sacramenten zijn werkzame tekenen van de genade, ingesteld door Christus en toevertrouwd aan de Kerk, waardoor ons het goddelijk leven verleend wordt." (Catechismus van de Katholieke Kerk, punt 1131)
    "De Sacramenten zijn heilige zichtbare waartekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele;" (Heidelbergse Catechismus (van de Hervormde Kerk), punt 66)

Etymologie

*via Middelnederlands """ van Latijn "sacramentum", in de betekenis van ‘(r.-k.) wijding’ aangetroffen vanaf 1236

Vertalingen

Engelssacrament
Franssacrement
DuitsSakrament
Italiaanssacramenti
Japansサクラメント
Poolssakrament
Zweedssakrament
Deenssakramente