Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
safariganger
mannelijk (de)/saΛfariΛΙ£ΙΕΙr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die een tocht door de wildgebieden in Afrika maaktToegegeven: als je olifanten en buffels voor het eerst op de savanne ziet, tegen het roodgouden namiddaglicht, ogen ze bijna voorwereldlijk β nazaten van de megafauna die ooit de hele aarde bewandelde. Maar wij willen op zoek naar andere dieren, die vrijwel geen safariganger ooit ziet: het grijssnuitslurfhondje, het Afrikaans grondschubdier, het aardvarken, de Udzungwa bospatrijs en de Sanje Mangabey aap.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek