Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

safariganger

mannelijk (de)/saˈfariΛŒΙ£Ι‘Ε‹Ι™r/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die een tocht door de wildgebieden in Afrika maakt
    Toegegeven: als je olifanten en buffels voor het eerst op de savanne ziet, tegen het roodgouden namiddaglicht, ogen ze bijna voorwereldlijk – nazaten van de megafauna die ooit de hele aarde bewandelde. Maar wij willen op zoek naar andere dieren, die vrijwel geen safariganger ooit ziet: het grijssnuitslurfhondje, het Afrikaans grondschubdier, het aardvarken, de Udzungwa bospatrijs en de Sanje Mangabey aap.