saga

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsaɣa/

Wat is de betekenis van saga?

saga betekent: (letterkunde) Germaanse heldenverhalen uit de vroege middeleeuwen die later in het Oudnoords op schrift zijn gesteld

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. letterkunde (letterkunde) Germaanse heldenverhalen uit de vroege middeleeuwen die later in het Oudnoords op schrift zijn gesteld
  2. letterkunde, figuurlijk (letterkunde) (figuurlijk) omvangrijke vertelling waarin de geschiedenis van een familie in het verloop van de tijd wordt beschreven
  3. figuurlijk (figuurlijk) langdurige reeks verwikkelingen rond een persoon of kwestie
zelfstandig naamwoord
  1. (Nederlands-Indië) benaming voor bepaalde soorten heesters en bomen uit de vlinderbloemenfamilie met kleine, rode zaden

Voorbeelden van "saga" in een zin

  • Het portaal van de staafkerk (een type middeleeuwse kerk geheel opgetrokken uit hout dat vrijwel alleen in Noorwegen bewaard is gebleven) van Hylestad behoort tot de mooiste en meest herkenbare voorbeelden van de saga in de beeldende kunsten (…).
  • {{ouds|1805
  • Toen dat klaar was, dacht ik: nu moet ik de stap gaan zetten naar een boek dat er uitziet als de klassieke grote roman: een kroniek, een saga, het Brontë-sisters-achtige boek.
  • Hierin wordt de idealist Gösta Berling uit de gelijknamige saga (1891) van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf, afgezet tegen de vrekkige grijsaard Scrooge uit Charles Dickens' Christmas Carol (1843).
  • Dit boek van 1932 is het vervolg op ‘Maid in Waiting’ van 1931 en is het tweede stuk van een trilogie die dit jaar besloten werd met ‘Over the River’. Het is de laatste saga die Galsworthy nog kon afwerken vóór zijn dood, begin 1933.

Etymologie

*[B] van """