Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

salopette

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tuinbroek
    Nederlands is in Vlaanderen nog een zondagse pak dat duur oogt, maar waar straks zit als een keurslijf. Door de week, in een Antwerpse tuinbroek, Gentse blouson en Brugse salopette, ademt men vrijer. NRC Johan Anthierens 29 april 1991 [https://www.nrc.nl/nieuws/1991/04/29/vlaming-gaat-uit-liefde-voor-de-taal-graag-op-de-vuist-6965344-a629125 Vlaming gaat uit liefde voor de taal graag op de vuist]
    Zwangerschap is een feest, schreeuwt iedere pagina de lezeresjes van In verwachting toe, vol verwachting kloppen de harten van moeder en kind: “Ineens hoor ik het duidelijk. "Rik-ke-tik.' In mijn baarmoeder klopt vrolijk een hartje!” Zelfs vrijen (“Dat is dubbel genieten!”), kleren kopen (“Nu is het tijd voor de negen-maanden-salopette!”) en de keizerssnede (“Bevallen via de nooduitgang!”) maken deel uit van de idylle. NRC Tom Rooduijn 5 oktober 1991 [https://www.nrc.nl/nieuws/1991/10/05/infantiliteit-6982676-a650613 Infantiliteit]

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsdungarees