samaar

mannelijk/vrouwelijk (de)/saˈmar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding, geschiedenis (kleding) (geschiedenis) zeer lange deftige bovenkleding
    In toorn ging hij voorbij en zijn purperen samaar waaide om hem heen als een vuur.

Etymologie

*via Middelnederlands "samaer" van "chamarre"