samenrotten

Betekenis

werkwoord
  1. met oproerige of kwade bedoelingen samenkomen
    Noordenbrink las de psalm voor: 'Welzalig hij die in der boozen raad Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat, Noch nederzit waar zulken samenrotten, Die roekeloos met God en godsdienst spotten; Maar 's Heeren wet, gestadig dag en nacht, Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.