sant
mannelijk (de)/sɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie), (verouderd) heilige, sint
Etymologie
*Ontleend aan het Latijnse sanctus.
Uitdrukkingen
- Hij is sant in eigen land. — In zijn eigen omgeving is hij beroemd, maar elders volslagen onbekend.
- Hij is geen sant in eigen land. — In zijn eigen omgeving is hij volslagen onbekend, maar elders beroemd.
- Niemand is sant in eigen land. — Men kan nog zo capabel of beroemd zijn, in zijn eigen omgeving worden zijn verdiensten niet erkend.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek