sap

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) vloeibare substantie (vocht) meestal afkomstig van planten en dan vaak gebruikt om te drinken
    De sappen van de rubberboom worden afgetapt.
    Bij het ontbijt drinken we sinaasappelsap.
    Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.

Etymologie

* In de betekenis van ‘vocht’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsjuice
Fransjus
DuitsSaft
Spaansjugo, savia, zumo
Poolssok