satan
mannelijk (de)/ˈsatɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tegenstander, aanklager, onder andere met een functie naast God; later: dwarsligger, duivels persoon; in vertalingen ook weergegeven met functiebenamingen en ook geschreven met een hoofdletter (27×: Num. 22:22 +, 1 Sam. 29:4, 2 Sam. 19:23, 1 Kon. 5:18 +, Zach. 3:1 +, Ps. 109:6, Job 1:6 +, 1 Kron. 21:1; ook 36× in NT)
Etymologie
* Herkomst: Hebreeuws (gangbare Nederlandse versie), letterlijk: 'tegenstander, aanklager'
Vertalingen
Engelssatan
Spaanssatán, satanás
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek