saus

mannelijk/vrouwelijk (de)/sɑus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan of ernaast wordt gegeten voor extra smaak
    Hij houdt erg van sauzen, vooral van knoflooksaus.
  2. een kleurstof
    Aan deze saus zijn geen extra sauzen toegevoegd.
  3. figuurlijk (figuurlijk) extra toevoeging, bijkomende (en meestal overbodige en/of ongewenste) nuance
    Een mix van kapitalisme en socialisme, overdekt met een dikke nationalistische saus.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘soort jus’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelssauce, gravy
Franssauce
DuitsSoße, Sauce
Spaanssalsa