saus
mannelijk/vrouwelijk (de)/sɑus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan of ernaast wordt gegeten voor extra smaakHij houdt erg van sauzen, vooral van knoflooksaus.
- een kleurstofAan deze saus zijn geen extra sauzen toegevoegd.
- (figuurlijk) extra toevoeging, bijkomende (en meestal overbodige en/of ongewenste) nuanceEen mix van kapitalisme en socialisme, overdekt met een dikke nationalistische saus.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘soort jus’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelssauce, gravy
Franssauce
DuitsSoße, Sauce
Spaanssalsa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek