saxhoorn
mannelijk (de)/ˈsɑkshorᵊn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) koperen blaasinstrument met ventielen, een conische boring en een diep komvormig mondstukOp 19 augustus 1845 stelde de minister van defensie de saxhoorn, saxofoon en saxotrombas namelijk verplicht voor alle regimentsmuziekkapellen.
Etymologie
*(eponiem) , naar de familienaam van de uitvinder, de 19e-eeuwse Belgische muziekinstrumentenbouwer
Vertalingen
Engelssaxhorn
Franssaxhorn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek