schaaf
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxaf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
- (gereedschap) een werktuig om dunne plakjes van een materiaal af te snijden.Voor de huidtransplantatie wordt met een speciaal schaafje een dun laagje van de huid afgenomen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gereedschap’ voor het eerst aangetroffen in 1401
Vertalingen
Engelsplane
Fransrabot
DuitsHobel
Spaanscepillo, guillame
Italiaanspialla, piallatrice
Portugeesplaina
Russischрубанок
Chinees刨
Japans鉋
Koreaans대패
Arabischمسحج
Turksrende
Poolshebel, strug
Zweedshyvel
Deenshøvl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek