schapen
/ˈsxapə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) een geslacht van hoefdieren uit de onderfamilie bokken (Caprinae) van de holhoornigen (Bovidae). Tot dit geslacht behoren het schaap en zijn wilde verwanten als de moeflon, de argali en het dikhoornschaap. De wetenschappelijke naam ervan werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus
werkwoord
- (ov) (verouderd) doen ontstaan uit nietsOm 'tlaeste meester-stuck, het cort-begrip van allenDe cleijne werelt, Mensch, naer mijn goet wel-gevallenTe schapen, als een Heer die alles heerschen mocht,Ses daghen hebb' ick daer vrij-willich in verwrocht.
Etymologie
*[B] verwant met "scheppen" en "schaffen"
Uitdrukkingen
- schapen met bokken verdelen
- Als de herder verdwaalt dolen de schapen — als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten
- De bokken van de schapen scheiden — De goeden apart van de kwaden zetten of een scheiding maken tussen goede en slechte mensen ofwel: Een scheiding maken tussen mannen en vrouwen ofwel: Een scheiding maken tussen mensen die iets durven of kunnen ten opzichte van anderen.
- Er gaan veel makke schapen in een hok — wanneer iedereen rustig blijft, passen veel mensen in dezelfde ruimte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek