schedel

mannelijk (de)/ˈsxedəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) skelet van een mensenhoofd of van een dierenkop, dat vorm geeft aan het hoofd resp. de kop
    Deze indrukwekkende demonstratie van betrokkenheid van de kant van de majordomus had een onverwachte uitwerking op de gevleide dichteres. Ze begon te schateren, waarbij zichtbaar werd hoe haar tanden verankerd waren in de met roze tandvlees overtrokken mandibula van haar schedel. Het was bijna angstaanjagend hoe grappig zij de goedbedoelde declamatie van haar eigen meesterwerk achtte.

Etymologie

* (erfwoord) van Oudnederlands skēthila, Proto-Germaans *skaiþilō- (zie ook scheiden). In de betekenis van ‘hersenpan’ voor het eerst aangetroffen in 901

Vertalingen

Engelsskull
Franscrâne
DuitsSchädel
Spaanscráneo
Italiaanscranio
Portugeescrânio
Russischчереп
Turkskafatası
Poolsczaszka
Zweedskranium, skalle