schelp

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɛlp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uit kalk (calciet en/of aragoniet) en andere mineralen bestaand, gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier (stam der ) wordt aangemaakt
    Schelpen op het strand.
  2. kleur (kleur) de zachte kleur van schelpen
  3. anatomie (anatomie) het uitwendig deel van het menselijk oor

Etymologie

* In de betekenis van ‘schaal (van weekdier)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Uitdrukkingen

  • In zijn schulp ( of schelp) kruipenStoett-2041 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsshell
DuitsSchale
Spaansconcha