scheppen
/ˈsxɛpə(n)/
Wat is de betekenis van scheppen?
scheppen betekent: (ov) doen ontstaan uit niets; maken
Betekenis
werkwoord
- (ov) doen ontstaan uit niets; maken
werkwoord
- (ov) met lepel of spaan een hoeveelheid materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen
- (ov), (verkeer) in een aanrijding op het voertuig doen belanden
Voorbeelden van "scheppen" in een zin
- Ze kon zich puur op het scheppen richten en tegelijkertijd het bewijs leveren voor de troebele maar ook bedwelmende kant ervan: de verkoop van haar kunst.
- Op die manier scheppen de vissen hun eigen bewegingsvrijheid, tegelijkertijd autonoom en in verbinding.
- In het begin schiep God de hemel en de aarde.
- Hij schepte wat soep uit de pan.
- Ze schepte zand in haar emmertje.
Etymologie
*[B] (erfwoord) via Middelnederlands "scheppen" van Oudnederlands "skeppen", in de betekenis van ‘putten’ aangetroffen vanaf 1100
Uitdrukkingen
- Behagen/Genoegen/Plezier scheppen in — Ergens plezier aan belevenBij deze uitdrukking treedt geregeld verwarring op met scheppen in bet. "creëren, vormen", waardoor soms abusievelijk de sterke vervoeging (schiep-geschapen) wordt gebruikt.
Vertalingen
Engelscreate, scoop
Franscréer
Duitsschaffen, schöpfen
Spaanscrear, lograr
Italiaanscreare
Japans創る
Poolstworzyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek