scheurbuik
/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) ziekte die vroeger veel voorkwam bij zeevarenden, veroorzaakt door een ernstig en langdurig tekort aan vitamine C (ascorbinezuur), zich o.a. kenmerkend door bloedend gezwollen tandvlees, blauwe vlekken, bloeding van huid en slijmvliezen en extreme zwakte.
Etymologie
* Onder invloed van scheur en buik, uit ouder sc(h)oorbuyck, leenwoord uit Middelnederduits schorbūk, ontleend aan een Scandinavische taal, vgl. Oudnoords skyrbjúgr en Zweeds skörbjugg, samengesteld uit skyr ‘zure melk’ en bjúgr ‘oedeem’.
Vertalingen
Engelsscurvy
Fransscorbut
DuitsSkorbut
Spaansescorbuto
Italiaansscorbuto
Japans壊血病
Koreaans괴혈병
Poolsszkorbut
Zweedsskörbjugg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek