schiefer
mannelijk (de)/ˈsxifər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) (bouwkunde) grijs, zacht gesteente dat uit laagjes bestaat, vaak gebruikt voor dakbedekkingHet gebruikt bijna uitsluitend schiefer, een zachte steen, die zich gemakkelijk laat bewerken; wanneer een enkele maal vuursteen bewerkt is, is deze slechts ruw behouwen.
Etymologie
*van "Schiefer"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek