schieten

/ˈsxitə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een projectiel afvuren met een wapen
    Het schieten hield tot mijn grote opluchting snel hierna op.
  2. inerg, sport (inerg) (sport) de bal een trap geven (bv. in het voetbal) of een slag geven (bv. met een hockeystick)
  3. erga (erga) zich snel voortbewegen
    Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.
  4. plotseling iets doen
    Ik corrigeer mezelf: niet te veel in mijn rol als therapeut schieten, ik hoef me niet in te houden.
    We schieten in de lach.
  5. plantkunde, figuurlijk (plantkunde), (figuurlijk) snel groeien

Etymologie

* In de betekenis van ‘projectiel met werktuig werpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • als paddenstoelen uit de grond schieten
  • een bok schieten
  • in de roos schieten
  • in het verkeerde keelgat schieten
  • in de zijn wiek geschoten zijn
  • met een kanon op een mug schieten
  • met spek schieten
  • onder de duiven schieten

Vertalingen

Engelsshoot
Franstirer
Duitsschießen
Spaanstirar, disparar
Poolsstrzelać, strzelać