schijn

mannelijk (de)/sxɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedriegelijk voorkomen
    Ze wendde niet-bestaande menstruaties voor en hield de schijn op dat haar lichaam niet veranderde.
    Het was haar niet genoeg geweest om zich tussxen de schone schijn van het leven van de Schlosses te bewegen, nee, ze had nog dichterbij willen komen, bij de littekens en de puistjes en de hete rode massa van hun hart.
    Hij zou onmiddellijk bereid zijn de schijn op te houden, maar ik zou bezwijken, ik zou breken zodra ik mijn moeders hoopvolle gezicht zag.
  2. zweem, glans
    Moet ik zo'n lage dunk van mezelf hebben?' 'Helemaal niet, maar schijn kan bedriegen.
    ' 'Ja, maham, laat haar nou,' zeg ik lachend om de schijn van vrolijke nonchalance op te houden.
  3. waarschijnlijk maar niet zeker
    'Mama snoepje?' Op mijn vierde schijn ik haar dat al voortdurend gevraagd te hebben.

Uitdrukkingen

  • Schijn bedriegthet niet kunnen afgaan op het uiterlijk

Vertalingen

Engelsappearance, shine
Fransapparence, avoir l'air de, clarté
DuitsSchein, Schimmer
Spaansapariencia, aire, fulgor