schil

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (meestal makkelijk te vervormen) buitenlaag van bepaalde vruchten of knollen
    Een appel met schil eten kan geen kwaad als het fruit goed gespoeld wordt.
  2. shell
    Met Windows werd bovenop DOS een grafische schil geplaatst.
  3. elektronenschil

Etymologie

* In de betekenis van ‘buitenste bekleding van een vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Vertalingen

Engelsrind, peel
Franspelure, épluchure
DuitsRinde, Schale
Spaanscáscara
Italiaansbuccia
Portugeescasca
Poolsskórka, łupina