schilder

mannelijk (de)/ˈsxɪldər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, kunst (beroep) (kunst) een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
    Dat hij een goede schilder was, wist hij.
    Wie kijkt er naar wie? De schilder naar de koning en koningin; de koning en koningin in een spiegel naar zichzelf; de kijker naar de koning en koningin in de spiegel; de kijker naar de schilder; de schilder naar de kijker, de kijker naar het prinsesje, de kijker naar de hofdames? Welkom in het spiegellabyrint van het menselijk leven.
  2. beroep (beroep) een handwerksman die huizen schildert

Etymologie

* Afgeleid van schild . Ter herkenning werd op een schild vroeger het wapen van de drager afgebeeld; degene die deze afbeelding aanbracht heette de schilder.

Vertalingen

Engelspainter, painter
Franspeintre
DuitsMaler, Maler
Spaanspintor, pintor
Italiaanspittore, pittrice
Portugeespintor, pintora
Russischхудожник
Poolsmalarz, malarka, malarz
Zweedskonstnär
Deensmaler, kunstmaler