Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

schoffelaar

mannelijk (de)/ˈsxɔfəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die ongewenste planten ondergronds afsnijdt om de groei van gewenste planten te bevorderen
    De manifestatie van gisteren trok schoonmakers, schoffelaars en werknemers van sociale werkplaatsen die bezwaren hadden, maar niet precies wisten wat de wet inhoudt.
  2. landbouw (landbouw) landbouwmachine waarmee onkruid wordt bestreden door het ondergronds af te snijden
    Enkele Nederlandse boeren en tuinders experimenteren inmiddels, vaak met succes, met ondiepe ‘eco-ploegen’ en met schoffelaars en grondwoelers om ziekten en onkruid tegen te gaan.
  3. figuurlijk, voetbal (figuurlijk) (voetbal) speler die vooral technisch betere tegenspelers tegenwicht biedt met veel inzet, ruw spel en overtredingen
    De andere drie genomineerden van Cruijff waren Roel Wiersma, Wim Suurbier en Danny Blind. De eerste was in de jaren vijftig een technisch beperkte knokker, de tweede in de jaren zestig en zeventig een technisch beperkte en pijlsnelle schoffelaar. De derde bereikte in de jaren negentig de Europese top als centrumverdediger.
  4. figuurlijk, roeipotigen (figuurlijk) (roeipotigen) bepaald soort steltloper zo groot als een ooievaar met een lepelvormige snavel,
    De wetenschappelijke naam - Platalea leucorrodia - betekent 'witte reiger met platte snavel'. Een naam die je ook wel tegenkomt is “schoffelaar”.
  5. figuurlijk, jachttaal (figuurlijk) (jachttaal) mannetje van een damhert
    Ze vertelt over het roedel damherten dat ze samen met haar vriend afgelopen zomer in het veld zag staan. „Vlak bij een camping. Er klonk dronken gelal, flarden karaoke. Die herten maakt het niks uit, aan die herrie zijn ze gewend. Drie schoffelaars stonden in het maanlicht te grazen, hun witte buiken lichtten op. Je weet niet wat je ziet. Net een sprookje.”

Etymologie

*[5]: van "Schaufler", omdat het gewei van een volwassen mannetje aan een schoffel doet denken