scholastiek

vrouwelijk (de)/sxolɑˈstik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. filosofie, geschiedenis (filosofie) (geschiedenis) de middeleeuwse academische filosofie die van universiteiten uitgaat, in tegenstelling tot de monastieke filosofie van de Kerk.
    In de scholastiek is het gezag van vroegere auteurs uitgangspunt.
  2. spottend (spottend) geheel van samenhangende opvattingen waarvan de schijnbare logica berust op het aanvaarden van traditionele autoriteit
    Het Marxisme verwerd tot een onvruchtbare scholastiek door communistische dogma's.
zelfstandig naamwoord
  1. filosofie (filosofie) stu­de­ren­de jon­ge kloos­ter­ling
    De scholastieken probeerden de kennis uit de Oudheid en de boodschap uit de Bijbel met elkaar in overeenstemming te brengen.
  2. religie (religie) (rooms-katholiek) jonge monnik die zich in de christelijke leer verdiept
    Op de school van de jezuïeten gaven ook scholastieken les.

Etymologie

*[bijvoeglijk naamwoord] van Latijn "scholasticus" "van de school, schools"