schorsen

/ˈsxɔrsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
    Hij werd geschorst voor twee weken.
  2. ov (ov) (een vergadering of rechtszitting) tijdelijk onderbreken
    Het beraad is geschorst tot woensdagmiddag, volgens vice-premier Remkes uit piëteit voor de koninklijke familie.

Etymologie

*: "schors" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelspostpone, postpone
Franssuspendre, suspendre
Duitssuspendieren, sperren, unterbrechen