schuld
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxʏlt/
Wat is de betekenis van schuld?
schuld betekent: (financieel) een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe (nog) niet betaald wordt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (financieel) een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe (nog) niet betaald wordt
- (figuurlijk) een verantwoordelijkheid die aan iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
Voorbeelden van "schuld" in een zin
- Hij zit zwaar in de schulden.
- Hij kreeg de schuld voor de neergang van het bedrijf.
- Maar laten we wel wezen: in feite is het natuurlijk Joy's schuld dat wij hier zonder gids in de Siciliaanse Apennijnen ronddolen.
- Je geeft haar vervolgens een geheimhoudingsverklaring, een vergoeding en de belofte op een nieuwe baan, waarmee je de schuld volledig bekent.
Etymologie
* In de betekenis van ‘verplichting’ voor het eerst aangetroffen in 1201
Uitdrukkingen
- Belofte maakt schuld — Als je iets beloofd hebt, moet je dat ook nakomen
- Waar twee kijven hebben twee schuld — Als er ergens ruzie is, valt dat alle betrokkenen te verwijten
- Een schuld is haalbaar, niet draagbaar — De schuldeiser is verantwoordelijk voor het afdwingen van een vereffening van de schuld
- Eigen schuld, dikke bult — Je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen fouten
Vertalingen
Engelsdebt, guilt, fault
Fransdette, faute
DuitsSchuld, Schuld, Verschulden
Spaansdeuda, culpa
Italiaansdebito, colpa, colpevolezza
Portugeesdívida, culpa
Poolswina
Zweedsskuld, gäld, skuld
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek