schuren

/sxyrə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
    Voor je de tweede laag erop brengt moet je het eerst schuren.
  2. ov (ov) poetsen, wrijven
  3. informeel, seksualiteit (informeel) (seksualiteit) met de geslachtsdelen tegen iets of iemand aanwrijven
  4. informeel, intr (informeel) (intr) op een intieme manier, heel dicht met elkaar dansen
  5. figuurlijk, onpr (figuurlijk) (onpr) spanning, wanklank of disharmonie veroorzaken

Etymologie

*Ontwikkeld uit Middelnederlands "scuren" “drukkend wrijven”, “poetsen”, “polijsten” (1287), ontleend aan Oudfrans "escurer" “geheel reinigen”, “schoonkrabben” (ca. 1223).

Vertalingen

Engelssand, scour
Franspolir, poncer
Duitsschaben, scheuern, schmirgeln
Spaansestregar, lijar, acepillar