schuur
Wat is de betekenis van schuur?
schuur betekent: (bouwkunde) een bijgebouw bij het huis of de boerderij om veldvruchten, landbouwproducten en -werktuigen in op te slaan
Betekenis
- (bouwkunde) een bijgebouw bij het huis of de boerderij om veldvruchten, landbouwproducten en -werktuigen in op te slaan
Voorbeelden van "schuur" in een zin
- Zet die fiets eens in de schuur.
- Het vergeefse geblaf van een hond in een schuur zou alle stiltes doorbreken.
- Waarom heb ik me niet omgedraaid toen het gevloek ophield? Ik had moeten checken of alles nog wel goed met haar was! Heb ik iets gemist? Een roep om hulp misschien? Ik was degene die daarboven in de schuur de boel gek maakte en kandidaten wierf voor die riskante afdaling.
Betekenis en uitleg van schuur
Een schuur is een stevige, vaak houten gebouw waar spullen worden opgeslagen of waar bijvoorbeeld dieren worden gehouden. Het is meestal een praktische ruimte, vaak te vinden op het platteland of bij boerderijen.
Het woord 'schuur' wordt vaak gebruikt in de context van landbouw en opslag. Mensen gebruiken het om gereedschap, fietsen of andere voorwerpen te bergen die niet in huis passen. Daarnaast kan een schuur ook fungeren als werkruimte voor klussen of hobby's, wat het een veelzijdige plek maakt.
Voorbeelden
- Na een lange dag in de tuin besloot hij het gereedschap in de schuur op te bergen.
- De oude schuur achter het huis was omgebouwd tot een gezellige hobbyruimte.
- Tijdens de storm was het belangrijk om de fietsen veilig in de schuur te zetten.
Woordoorsprong
Het woord 'schuur' is vermoedelijk afgeleid van het Oudnederlandse 'scura', wat 'beschutting' of 'afscherming' betekent.
Veelgestelde vragen over schuur
Wat is de betekenis van schuur?
schuur betekent: (bouwkunde) een bijgebouw bij het huis of de boerderij om veldvruchten, landbouwproducten en -werktuigen in op te slaan
Welk woordgeslacht heeft schuur?
schuur is een mannelijk/vrouwelijk (de).
Wat zijn synoniemen van schuur?
Synoniemen van schuur zijn: loods.
Hoe gebruik je schuur in een zin?
Voorbeeld: “Zet die fiets eens in de schuur.”
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands scūre, uit Oudnederlands skūra, ontwikkeld uit Oergermaans *skūr(j)ō-, bij Indo-Europees *skuH-ro-, uitbreiding van de wortel *(s)keuH- ‘bedekken, omhullen’. Evenals Nederduits Schüür, Duits Scheuer en Fries skuorre.
Uitdrukkingen
- Om één slechte oogst brandt de boer zijn schuur niet af — Eén enkele tegenslag gaat wel voorbij