sector

mannelijk (de)/'sɛktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt, omsloten door een cirkelboog en twee stralen
    Berlijn was in de Koude Oorlog ingedeeld in sectoren.
  2. economie (economie) een vakgebied of bedrijfstak
    In deze sector zit aardig de klad.
    De verwachting was dat ze het hele Nederlandse bedrijfsleven zouden bestrijken en dat elke sector van het bedrijfsleven een eigen bedrijf- of productschap zou krijgen.Paul den Hoed, Anne-Greet Keizer [https://books.google.nl/books?id=Lhq17RAOe5QC&pg=PA83&lpg=PA83&dq=%22sector+van+het+bedrijfsleven%22&source=bl&ots=UvtmwRO8zi&sig=SbKeu_m6MdhEj7NTNqbTG7zZoEI&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiCjuyWmbzZAhWPmbQKHSB6DRIQ6AEIWzAGv=onepage&q=%22sector%20van%20het%20bedrijfsleven%22&f=false Op Steenworp Afstand: Op de Brug Tussen Wetenschap en Politiek. Wrr 35 Jaar], 2007, p. 83
    Wat betreft de universiteiten stellen de onderzoekers voor om een groter deel van het geld naar technische opleidingen te verschuiven, als investering in die sector. Tubantia Arjan te Bogt 20-05-19 [https://www.tubantia.nl/enschede/4-miljoen-euro-minder-per-jaar-voor-saxion-onbegrijpelijk~a15b9fe6/ 4 miljoen euro minder per jaar voor Saxion: ‘Onbegrijpelijk’]
  3. informatica (informatica) de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
    Wat is de grootte van de sectors van die harddisk?
  4. beroep (beroep) iemand die secties verricht

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afdeling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1740

Vertalingen

Engelssector, sector
Spaanssector, sector