sedan

mannelijk (de)/seˈdɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) type personenauto met minstens 4 zitplaatsen, een ruime kofferbak aan de achterkant en een dak dat voor, midden en achter met verbindingsstijlen aan de rest van de carrosserie vast zitHoewel een sedan traditioneel 4 deuren heeft, zijn er ook modellen met 2 deuren. Het onderscheid met een coupé is de grootte van de kofferbak: minstens 930 liter.
    Ik was helemaal niet met een goederentrein meegekomen. Ik zat namelijk in een vierdeurs sedan, een Impala uit '57, en was vanuit de Midwest het land door gereden - zo uit Chicago, waaruit ik hem zo snel als ik kon was gesmeerd - in volle vaart door rokende stadjes en groene velden bedekt met sneeuw, over kronkelende wegen voorwaarts, oostwaarts, over de staatsgrenzen, Ohio, Indiana, Pennsylvania, een rit van 24 uur, waarvan ik het grootste deel lag te sluimeren op de achterbank, pratende over koetjes en kalfjes.
    Wij vinden den "Dixie Flyer" hier met de carrosserie Sedan in den prijs van ƒ8750, een conduite interieure met electrische verlichting, zelfstarter, verstelbare centrale verwarming, beschutte voorruit, speciale inrichting voor het neerlaten der ramen en tal van andere moderne gemakken.

Etymologie

*van Amerikaans "sedan", in de betekenis "personenauto" in het Nederlands aangetroffen vanaf 1916 in advertenties [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010034940:mpeg21:a0068 advertentie in: Nieuwe Rotterdamsche Courant jrg. 73 nr. 197 (15 juli 1916)]; p. 4 kol. 4; geraadpleegd 2019-01-28

Vertalingen

Engelssedan, saloon
Fransberline
DuitsLimousine
Spaanssedán, berlina