seks

/sɛks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. seksualiteit (seksualiteit), (nauwe betekenis) geslachtsgemeenschap
    Ik heb geen seks gehad met die vrouw
    Toen ze ook wakker werd, waren ze elkaar gaan kussen en in de benevelde bedwelming van zijn eerste kater hadden Laetitia en hij seks gehad.
  2. seksualiteit (seksualiteit), (ruime betekenis) gevoelens en handelingen die een mens kan ervaren of uitvoeren en die samenhangen met lichamelijke opwinding en bevrediging
    De meeste mensen hebben weleens seks met zichzelf.
    Niet vanwege de seks, alleen vanwege de vaas.

Etymologie

* van het "sex" geslachtsgemeenschap

Vertalingen

Engelssex
DuitsSex
Spaanssexo