serie

vrouwelijk (de)/ˈseri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. delen van een geheel in een bepaalde volgorde
    Er wordt weer een serie kinderpostzegels uitgegeven.
  2. aantal gelijkvormige zaken
    Uit een van de koffers die nog onuitgepakt in een hoek stonden haalde ik een exemplaar van de eerste serie. 1968. Mijn vader had met dit ontwerp het hele Midden-Oosten plat gekregen. Mijn moeder eigenlijk. Het was haar idee geweest. Of haar schuld, zoals ze zelf zei, toen in datzelfde jaar oma de geest gaf. {{Aut|Sandes, David
    Elke keer als ik in een dorpje aankwam en de nieuwe donaties zag binnenkomen maakte ik weer een hele serie.

Etymologie

*van , in de betekenis van ‘reeks’ voor het eerst aangetroffen in 1885

Vertalingen

Engelsseries, set
Spaansserial, serie