servicebeurt

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsʏːrvɪzˌbørt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat men een apparaat, machine of auto laat onderhouden
    Mijn auto moest voor de jaarlijkse servicebeurt naar de garage.
    Directe aanleiding waren de lange wachttijden voor een servicebeurt. Technici werkten al hard en uitbreiden van de werkplaats zou te veel kosten.
  2. sport (sport) de keer dat een sporter bij tennis, volleybal of een andere sport de opslag heeft
    Een tennisser wint vaak zijn servicebeurt.
    In een partij waarin een servicebeurt weinig waarde had, verzilverde Bertens liefst zeven van haar acht breekpunten. Bij een 3-3 stand moest ze zich even aan haar enkel laten behandelen, maar vervolgens won ze vijf games op rij.