sigaar
vrouwelijk (de)/siˈɣar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- in dekblad gerolde tabak
- (halfvleugeligen) een wants uit het geslacht van de familie van de duikerwantsen
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rol tabak om te roken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1808
Uitdrukkingen
- De sigaar zijn — De dupe zijn, het slachtoffer zijn
- Een sigaar uit eigen doos — Iets wat ogenschijnlijk cadeau wordt gedaan maar waarvoor je als ontvanger toch voor blijkt te moeten betalen, of wat toch al aan de ontvanger zelf toebehoorde
Vertalingen
Engelscigar
Franscigare
DuitsZigarre
Spaanscigarro, puro
Italiaanssigaro
Russischсигара
Chinees雪茄烟
Japans葉巻きタバコ
Arabischسيجار
Turkspuro
Poolscygaro
Deenscigar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek