sigarenpeuk

mannelijk (de)/siˈɣarə(n)ˌpøk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overblijfsel van een opgerookte sigaar
    ' 'Eerst ga jij dood,' zei Rey Diaz, voluit glimlachend terwijl hij de sigarenpeuk pal tussen de ogen van de Muurbreker uitdrukte.