Sikkel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsɪkəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) (gereedschap) handzeis of snijmes met halvemaanvormig lemmet en korte steel
- met de vorm van een sikkel bijvoorbeeld een maansikkel
zelfstandig naamwoord
- gewichtsmaat, waarschijnlijk vaak ruim elf gram; een sjekel is een vijftigste mine en twintig gera (88×: Gen. 23:15 +, Ex. 21:32 +, Lev. 5:15 +, Num. 3:47 +, Num. 3:47 +, Num. 3:47 +, Joz. 7:21, 1 Sam. 9:8 +, 2 Sam. 14:26 +, 2 Kon. 7:1 +, Jer. 32:9, Ez. 4:10 +, Am. 8:5, Neh. 5:15 +, 1 Kron. 21:25, 2 Kron. 3:9)
- gewichtseenheid en munt in de tijd van Misjna en Talmoed
- munteenheid en muntstuk van de staat Israël-8 van 1948 tot 1985
- bekorting van: sjekel chadasj
Etymologie
* [B] Middelnederlands cikle, cikel, ontleend aan Hebreeuws šeḳel, letterlijk ‘(bepaald) gewicht’, afgeleid uit šāḳal ‘wegenʼ.
Vertalingen
Engelssickle, shekel, sheqel
Fransfaucille
DuitsSichel
Spaanshoz, segadera
Italiaansfalcetto
Portugeesfoice
Russischсерп, шекель, сикль
Turksorak
Poolssierp
Zweedsskära
Deenssegl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek