simchat thora
/sɪmˌxɑt to'rɑ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie), Vreugde der Wet, joodse feestdag bij de overgang naar een nieuw jaar waarin de hele Thora in wekelijkse gedeelten gezamenlijk wordt gelezen
Etymologie
* : שִׂמְחַת תּוֹרָה (simchat tora) "vreugde van de Thora"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek