sinus
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meetkunde) de verhouding van de lengte van een loodlijn die van een der benen van een hoek op het andere been wordt neergelaten, tot het beenstuk waarvan wordt uitgegaanDe sinus van een rechthoekige driehoek.
- (medisch) holte of instulping zonder eigen wandWat zijn de symptomen van ontstoken sinussen?
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhoudingsgetal’ voor het eerst aangetroffen in 1614
Vertalingen
Engelssine
Franssinus
DuitsSinus
Spaansseno
Italiaansseno
Portugeesseno
Chinees正弦
Arabischجيب (رياضيات)
Turkssinüs
Zweedssinus
Deenssinus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek