skelet
onzijdig (het)/skəˈlɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeftReigerbotjes, skeletten en knoopje kindsoldaat leggen grafelijk Binnenhof bloot: Sieraden, naaigerei, pannen, pijpen, potten, muntjes, paardentuig, kogels, één schaats, afgekloven botjes van verorberde vogels, marmeren scherven uit Maurits' lusthof, papbordjes, tinnen soldaatjes, pruikenrollers en de funderingen van de verdwenen Spuipoort en Uiterste Poort; honderden voorwerpen vertellen het verhaal van de plek waar al eeuwen het regeringscentrum is gevestigd.
- de dragende structuur van een gebouwIn het Zeeuwse Oost-Souburg is de bouw van een nieuwe school stilgelegd, nadat was ontdekt dat de fundering en het skelet van het gebouw 180 graden zijn gedraaid ten opzichte van de tekeningen. Dat maakt de basisschool, de Tweemaster-Kameleon, bekend in een brief aan de ouders.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geraamte’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Vertalingen
Engelsskeleton
Franssquelette
DuitsSkelett
Spaansesqueleto
Russischскелет
Turksiskelet
Deensskelet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek