skibroek

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈskibruk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport, kleding (sport) (kleding) broek die geschikt is om bij het skiën aan te trekken
    Ze waren gekleed voor een uitstapje in tot de knieën reikende skibroeken, geitenwollen sokken, goed ingevette skischoenen en prachtige Noorse truien met een nawinternachtpatroon op de schouders.

Vertalingen

Spaanspantalon de esquí