skunk
mannelijk (de)/skʏŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wiet met een extra hoge THC-concentratie die ook in Nederland wordt gekweekt
- (roofdieren) familie , marterachtige zoogdieren die een grote stank verspreiden wanneer zij zich bedreigd voelen
- (n) bont van marterachtigen uit de familie
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘marterachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Vertalingen
Spaanspiel de mofeta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek