slagzij

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈslɑxsɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. naar één kant overhellen van een schip zonder dat het al echt omgeslagen is
    Een onder Panamese vlag varend vrachtschip is stuurloos en dreigt slagzij te maken in de Golf van Biskaje. Bergers van de Nederlandse onderneming Smit Salvage zijn ter hulp geroepen om het schip de Modern Express te redden en te voorkomen dat het op de Franse kust slaat. Tubantia 12-januari-2017
  2. heel sterk naar één kant overhellen
    Ze kwamen allemaal aangestormd om me te helpen. Dat is ook niet zo gek. Een zwangere vrouw met een klein kind op de arm klapt zomaar op de grond. Ik ging languit, snap je. Als een schip dat slagzij maakt. En al die behulpzame mensen hielpen me weer op de been, klopten me af en vroegen hoe het ging.' {{Aut|Knausgard, Karl Ove
  3. schade opgelopen hebben
    De Belgische rederij Exmar zit in erg woelig vaarwater. Het aandeel maakt slagzij op de Brusselse beurs. De moeizame herfinanciering van een lening en de zoektocht naar klanten voor vernieuwende maar dure projecten doen vragen rijzen over de toekomst. ‘Er is geen reden tot paniek’, verzekert topman Nicolas Saverys. de Standaard WOENSDAG 14 JUNI 2017

Etymologie

*door deletie van de d uit "slagzijde", op te vatten als

Vertalingen

Engelslist, tilt
Fransgîte
DuitsSchlagseite
Zweedsslagsida
Deensslagside