slak

mannelijk/vrouwelijk (de)/slɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buikpotigen, voeding (buikpotigen) een buikpotig weekdier () (ook soms (voeding))
  2. metallurgie (metallurgie) een onoplosbaar steenachtig afvalproduct van oxides bij het smelten van metaal
  3. figuurlijk, informeel (figuurlijk), (informeel) iets wat of iemand die zich opvallend langzaam voortbeweegt, bijv. in een verkeerssituatie
    Ik ben een slak in het verkeer.

Etymologie

* In de betekenis van ‘weekdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Als een slak op een teertonErg traag zijn
  • Op alle slakken zout leggenover alle onbelangrijke dingen/ kleinigheden commentaar hebben/klagen

Vertalingen

Engelssnail, snail, slag
Fransescargot, escargot, laitier
DuitsSchnecke, Gehäuseschnecke, Schnecke
Spaanscaracol, babosa, limaza
Italiaanschiocciola, lumaca
Portugeesescória
Russischшлак
Japansスラグ
Poolsślimak, ślimak, żużel
Zweedsslagg
Deenssnegl, slagge