slenteren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) langzaam en futloos/lusteloos ergens heen lopen
    Hij was met tegenzin naar huis geslenterd.
  2. inerg (inerg) langzaam lopen zonder specifiek doel
    Er werd naar zijn zin te veel geslenterd.
  3. inerg, verouderd (inerg), (verouderd) slabakken, talmen, treuzelen
  4. inerg, verouderd (inerg), (verouderd) "kruipen", slingeren

Etymologie

*Mogelijk van Protogermaans *slantjan-, *sleidh-; dezelfde herkomst als slinderen. In de betekenissen "kruipen, slingeren"/"toeven, treuzelen" voor het eerst aangetroffen omstreeks 1599. In de tegenwoordig gangbaardere betekenis van ‘langzaam lopen’ voor het eerst aangetroffen in 1701

Vertalingen

Engelsshuffle, saunter, stroll
Franstraîner, vadrouiller, flâner
Duitsschlendern, lungern, bummeln