slepen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
    De panter sleepte zijn prooi naar een boom en hees de antilope op een tak.
    Ze sleepten zelfs een oud matras vijf kilometer met zich mee.
  2. refl (refl) zich ~ moeizaam voortbewegen
    De verwonde voetganger sleepte zich naar de kant van de weg.

Etymologie

* In de betekenis van ‘voorttrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Uitdrukkingen

  • iets in de wacht slepeniets bemachtigen

Vertalingen

Engelsdrag, tow
Duitsschleifen, schleppen, bekommen
Spaansarrastrar, atoar, halar